1945 - 1960

 

Zoals uit vorige pagina's al duidelijk is geworden, heeft Wim veel van zijn leven beschreven. En bewaard. De volledige transcripties van zijn verslagen uit de oorlog zullen later verschijnen.

1945

De eerste maanden van 1945 bevindt Wim zich nog in het werkkamp in Hannover en in maart wordt hij overgeplaatst naar Minden, Duitsland. 

Het eten is schaars, rantsoen in het kamp niet toereikend, en Wim is genoodzaakt om uit bedelen te gaan, bij de boerderijen in de omgeving van het kamp, om aan eten te komen. Wim verafschuwt het, maar hij kan niet anders. Soms moet hij uren lopen voor hij bij een boerderij op het erf wordt gelaten. Veelal probeert hij iets in ruil te doen, voor het gekregen eten van de boer of vaker de boerin, want de boer is opgeroepen om te vechten. 

In zijn verslag schrijft Wim hierover:

"Zo leerden we dan het 'bietsen',  oftewel schooien. De een na de ander verdween met een zak onder de arm naar het boerenland. Die Veenhuizerklant en die Vughtenaar waren de brutaalste. En ook de grootste vreters, die hadden niks anders gedaan in Hannover, die hebben maanden geleefd zonder etenskaart, maar dat maakte ze niks uit, eten en werken deden ze bij de boeren. Ik ging ook de eerste maandag op stap 'op de biets', maar dat ligt me niet. Het beste kon je nog de boerin treffen, maar de angst was zo groot onder de mensen. En we kwamen toch niet met niks terug, hier een hap eten en dar een snee brood of een handvol aardappels, hier een snauw, maar ergens anders weer waarschuwing: "Pas op, daar woont Polizei!"."

 

"Ik liep ook nog langs een huis, daar riep een vrouw me achterom. Ik kreeg een paar pond brood, ze huilde en zei: "met een paar dagen hebben we hier ook oorlog!" Of ik niks zeggen wou en voorzichtig zijn met het brood. Toen riep ze me weer terug en gaf me nog 2 eieren. Dat was vlakbij Lahde, daar moest ik omkeren van de politie. 's Avonds ben ik er nog eens op uitgegaan, naar een andere kant, voor brood en koek, maar het was zo oppassen met de Volksstorm, het wemelde van soldaten, toen ik een paar huizen gehad had ben ik weer naar het lager gestapt."

 

Tijdens een van die bedeltochten komt hij ineens de Amie's tegen:

"Maar verder, ik leende de fiets van een en fietste rond, toen zag ik tot mijn verbazing de eerste Amie's Rode Kruis troepen. Ik hield er een aan en zei dat ik van Holland was. Hij zei: "do you understand English?" Ik zei: Yes a very little" Hij zei weer: "Tell this people…" En toen moest ik de Duitsers zeggen, dat ze in huis blijven moesten, als straks de eerste tanks voorbij kwamen. Ik vroeg om een sigaret en hij gaf me een heel pakje Chesterfield."

 

Van de bevrijding neemt hij niet veel mee:

"We maakten een beetje artillerievuur mee; 's nachts werd het een beetje erger, maar nog niet zo erg, dat we ervoor ons bed uitgingen."

 

Als het kamp door de Duitsers verlaten is, vertrekken veel direct richting huis. Lopend, fietsend, een geconfisceerde auto, het maakte ze niet uit, als ze maar konden vertrekken

Wim heeft al tijden niets van huis gehoord en weet niet of thuis nog bestaat. Hij besluit om nog even te blijven tot er nieuws uit Utrecht komt, dat  het daar ook veilig is.

Hij vindt zelf, dat hij het allemaal slechter had kunnen treffen. 

"Ik ben toch een geluksvogel: ik heb jongens getroffen die van Amersfoort in een Duits concentratiekamp gedouwd waren. Onder andere een Utrechtenaar, die had "Buchenwald" overleefd en heeft me dingen verteld. Er was een orkest van häftlingen in het kamp en af en toe werden er een paar opgehangen en de band speelde dan "Im leben geht alles vorüber." 

 

Naarmate het kamp verder uitstroomt, blijven er meer en meer zaken achter, die in de eerste dagen na het einde van de oorlog, door de kampbewoners,  uit de diverse gebouwen in de omgeving waren geplunderd. Wim beschikt inmiddels over voldoende eten, een gitaar, kleding, potten, pannen... Hij heeft geen vervoer en heeft geen idee, hoe hij de zaken mee kan nemen, naar huis, waar men nog steeds honger had.

 

Dan komt de in Duitsland wonende, Nederlandse Mathilde in zijn leven. Haar vader beschikt over een auto. Ze bieden na een paar bezoeken Wim een verblijf in hun zomerhuisje bij het water aan. Voor Wim was de keuze snel gemaakt. Hij gaat  met ze mee, is zeer in zijn sas met het huisje bij het water en besluit na een week om de rest van zijn spullen op te halen:

"Ik ging dan terug naar mijn barak. Uit de verte zag ik al dat mijn raam open stond. En ja hoor, mijn hele kamer hadden ze leeg gesleept en overhoop gehaald. Bijna alles meegenomen, alleen de ton met schmalz (varkensvet) al hadden ze half leeg geschept, van de boter was nog 1/3 over, van de rest alles, maar dan ook alles weg.

Goddank had ik mijn eigen koffer met kleren en alles; camera, filmpjes, schoenen bij de Italianen gebracht van te voren, dus dat had ik nog. En onder de vloer lagen nog een kleine honderd bus vlees. Maar de rijst, suiker, macaroni, visconserven en wat schoenen en kleren, en niet te vergeten een hele koffer met roken, alles foetsie."

 

Wim verblijft de hele zomer in het huisje aan het water. Hij gaat veen steken met de vader van Mathilde, werkt bij de boeren, speelt op zijn gitaar voor de troepen, en geniet van de zomer. Ondanks de ongerustheid over thuis.

Wim en Mathilde vormen al snel een stel. Wim krijgt bericht van thuis dat alles veilig is, en in december 1945 vertrekken ze naar Utrecht.

 

In Utrecht aangekomen trekken ze bij de moeder van Wim in. Die woont dan nog steeds in de Albatrosstraat op 19b.

In 1947 trouwen Wim en Mathilde. Tot 1960 wonen ze op de Albatrosstraat 19b. 

 

Wim en Mathilde gaan vanaf eind 1945 optreden als De Robbedoezen. Wat er met de oorspronkelijke Robbedoezen van voor de oorlog is gebeurd, is (nog) niet bekend.